01-07-17

DE DICHTER HIJ LIGT ER

DE DICHTER HIJ LIGT ER

 

Mijn hond zou in de winter wonen,

de maan dan schuilen achter wolken.

Er was ook wind uit oude dagen

en de veerman zou van kou gewagen

 

die niet meer ophield tot die brief er kwam

waarin de wereld om verschoning vroeg

voor wat mij allemaal was aangedaan:

miskenning jegens mijn geniaal bestaan,

 

als een rimbaud in een bos van dwaling,

een baudelaire wiens schrijven voor verdwazing

doorging. Men zou dan eindelijk beseffen

dat mijn pen 's werelds raadsels op kon heffen.

 

Die bode zou ik schielijk groeten, desnoods

een glas aanbieden voor zijn wintervoeten.

Pas als hij dan weer was weggegaan,

zou mij het lachen nader dan het huilen staan.

 

In deze rimboe van verwarring zou ik zegevieren,

in dit dorp van dwazen alsnog de trommel slaan.

Zingen zou ik, dat ik het altijd al geweten had:

een dichter weegt zo zwaar als zijn gedicht,

maar soortelijk stijgt hij over zijn gewicht.

De commentaren zijn gesloten.