26-09-10

SCHOEN

Wat kan ik met je doen? Ik koop er twee. Ik loop ermee. Ik heb nu schoenen. Ik ga ze boenen. They rise and shine. They are mine. Ik stap ze in. Ik poets hun neus. ’t Is eerste keus. Ik rijg ze dicht. Een glad gezicht. Ze lopen kans dat ik met ze dans. Ik doe ze open. O, ik ga er nog twee stoute kopen.