26-02-10

ZANDMAN

 

Nu houd ik op met slapen.
In de straten lopen spoken
die in de ochtend kwijnen.
In de bars zitten schimmen
die bij dageraad vervagen.
Nu wil ik ook verdwijnen.
Ik wil even één van hen zijn,
met ze praten bij een sigaret
en af en toe wat bitters drinken.
Ik zal samen met ze waken:
tussen gatenplant, spoelwater
en greepjes licht verzinken
en aan al de rest verzaken.
Nooit wordt het nog later,
vertellen mij de spreuken,
en ook dat God mij ziet.
Dat wil ik best geloven,
maar morsen doe ik niet.
En dat de tijd hier halthoudt,
is de reden van mijn komst.
Het is mijn bed dat gaapt.
Het is mijn hoofd dat gonst.
Ik wil alle uren opgebruiken
van de zandloper in mij.
Mijn das staat op halfzes.
In mijn kop valt een flesje om.
Een vlinder zoekt het melkglas
en zit doodstil in het holst
van rook en grap en alcohol.
We moeten er eens uit zijn,
zegt een man van honderd kilogram.
Een meisje van een slanker lijn
lipt in mousserend Frans
dat de boog niet altijd nietwaar
zo gespannen hoeft te zijn.
Groot gelijk heeft zij, het kind.
Ik ga en vlag mijn nacht af
met een grote zak patat.
Waar brandt nog wat licht?
Waar schijnt nu de lamp?
Is dit reeds een nieuwe dag
of mag ik nog een laatste glas?
Het trottoir schuift als een roltrap
naar mijn huis bergop-bergaf.
Die wou waken, kwam terug.
Die ging dolen, is weer thuis.
Een molen vraagt om koren;
ik begin weer van tevoren.

De commentaren zijn gesloten.