19-09-09

WASBEER

Beer wast zijn gezicht met maanlicht.
Het past precies in de weerschijn.
Hij poetst en hij wrijft en hij plast
in de schone schijn van de stralen.
Hij smeert de kaas over zijn huid uit.
Dan valt hij pardoes in de beerput.
De maan lacht zich nu te pletter.
Ze vindt die beer toch maar een etter.

De commentaren zijn gesloten.