25-02-07

DOOD VAN EEN SMOKKELAAR

Hij werd geroepen, zette zijn glas neer, ging naar buiten en keerde nooit meer weer. Het was eens iets anders dan het laffe poken van een smokkelaarsmes ruggelings tussen de knoken. Men gooide nog een blok in de haard, spoelde het glas om en deelde zwijgend de kaart. Man’s End in Jamaïca Inn. De papegaai luidde de bel. Heden ging van ons heen een duistere metgezel. Niemand had iets gezien. De deur ging dicht en de vloer bleef schoon, die avond in Jamaïca Inn.

15-02-07

DOOD VAN EEN KIND

De stad slaapt. Alles is rustig. Een rat met zachte vacht vlucht voor het schijnsel van de nachtwacht. In alkoven snurken burgers. Langzaam draait de aarde rond: blauwe bol, open riool, vergaarbak van gerochel, kanker en vulkanen. Vrede op het plein. Niets beweegt. Een oude straathond spert zijn muil en jankt zijn blues tot op het bot. Een man verdrinkt in kwijl en kommer. De maan beveelt de zee, de vrouwen. In hun dromen zit hun mond vol slijk en drijven lijkjes op de golven. Zwaartekracht balt onrust samen. Het gebinte op de appelzolder kraakt. De splijtstof in de navel sluimert. De kleine Newton blaast een speekselbel en draait zich op zijn andere zij.

05-02-07

DOOD VAN 50'ERS

Toen Hongarije nog oud was, en Victor Vandewiele doodviel op zijn veld, en Charles Declercq de ene na de andere sigaret zonder filter onbekommerd oprookte, toen woonde ik in een doodlopende straat en waande ik me een Oude Hein met een lamp die mensen hielp om niet in putten te vallen. Er waren ononderbroken wegenwerken in mijn hoofd. Bij nacht en ontij was ik een baken. Ondertussen heb ik Hongarije gezien: een dumpzaak. Vandewiele pleegde eigenlijk zelfmoord, en Declercq kreeg een verdomd laffe kanker. De spoorwegboom is nog altijd neergelaten: een stommiteit van in het steentijdperk, toen de mensen nog slim waren, dacht ik. Dagelijks loop ik weer als kind door die straat in mijn hoofd: gevaarlijke hond!, houtzagerij, regen, gerinkel van glas in een boodschappentas. Ik had die straat niet zeer hartelijk lief. Het was mijn Hongarije, lijdensweg en fuik. En wat ze verborgen hield voor de dichter en dromer in mij: een Fransman die zerken kapte, een koppel overlevende joden, twee vrouwen aan de drank, een hoedenmaakster en een hoer, een blinde, een mager dood meisje in een sportwagen. En ten slotte ikzelf, vastgebonden aan een schooltas, die altijd Sans Famille dacht te zijn. Het is een straat die van geen ophouden weet.