05-02-07

DOOD VAN 50'ERS

Toen Hongarije nog oud was, en Victor Vandewiele doodviel op zijn veld, en Charles Declercq de ene na de andere sigaret zonder filter onbekommerd oprookte, toen woonde ik in een doodlopende straat en waande ik me een Oude Hein met een lamp die mensen hielp om niet in putten te vallen. Er waren ononderbroken wegenwerken in mijn hoofd. Bij nacht en ontij was ik een baken. Ondertussen heb ik Hongarije gezien: een dumpzaak. Vandewiele pleegde eigenlijk zelfmoord, en Declercq kreeg een verdomd laffe kanker. De spoorwegboom is nog altijd neergelaten: een stommiteit van in het steentijdperk, toen de mensen nog slim waren, dacht ik. Dagelijks loop ik weer als kind door die straat in mijn hoofd: gevaarlijke hond!, houtzagerij, regen, gerinkel van glas in een boodschappentas. Ik had die straat niet zeer hartelijk lief. Het was mijn Hongarije, lijdensweg en fuik. En wat ze verborgen hield voor de dichter en dromer in mij: een Fransman die zerken kapte, een koppel overlevende joden, twee vrouwen aan de drank, een hoedenmaakster en een hoer, een blinde, een mager dood meisje in een sportwagen. En ten slotte ikzelf, vastgebonden aan een schooltas, die altijd Sans Famille dacht te zijn. Het is een straat die van geen ophouden weet.

De commentaren zijn gesloten.