21-11-06

GOD

God is een gemak. Je kunt erbij gaan zitten. Of even door de knieën gaan. God is een aanvaardbaar spraakgebrek. Voorwaar: een God is een gemak. Latijn mag best gelispeld worden. Of onbegrepen ruggelings gemompeld. Want God praat zelf in beelden. Zo was er eens deze gelijkenis: Ik ben die ben, welzeker. God is ook een donder. Zwaard, vuur en bliksem. Hinderen uw kinderen u? Wel, voorwaar ik zeg u: het zijn de uwe niet. God is een ongemak. Zeven plagen, rotsen, zand. Het offeren van zonen door vaderen. Godverdomme, waar gaat dat over? Telt dit gedicht als tegenwicht voor de molensteen rond mijn nek in het diepste van de wateren? Ach, God is een gemak. Zolang Hij maar voldoende dood blijft.

12-11-06

MAAR DE REGEN (3)

De dingen van de dagen zijn de mijne niet geworden. En de dagen met hun tellen en hun uren evenmin. Alleen de tijd heb ik gekend. Alle dingen zullen weer verbleken. De woorden zijn tekortgeschoten om dit alles op te schrijven en te onthouden tot na de regen. Alleen de tijd heb ik gekend.

05-11-06

MAAR DE REGEN (2)

Ik weet dat dagen duren kunnen. Ik zal op al de tellen van de dagen passen. Ik kan het weer doen dagen na de nacht. Maar de regen. Ik denk dat uren in het donker horen. Ik zie het donker van de dagen uren duren. Ik wil dat donker doen vervagen. Maar de regen.