| wedstrijden

23-01-12

DE SCHREEUW

DE SCHREEUW

 

De eenheid van tijd is ogenblik.
Zie rimpel na rimpel die ons
ouder opvouwt en vroeg
of laat als rommel opbergt.

De eenheid van tijd is mum.
Zie de vouw die verweert
tot ze litteken wordt en
tijd voorgoed op de tocht zet.

De eenheid van tijd is fractie.
Zie de barst die verwordt
tot de kloof die bewijst dat niets
nog bijeenhoort als voorheen.

De eenheid van tijd is flits.
Zie de breuk die herleidt, voel
de schroeiplek die brandt en hoe
spijt schilfer na schilfer afsplijt.

De eenheid van tijd is tel.
Zie de komma, de hort en de stoot.
Zie de vrouw die veroudert,
zie de man die verandert.

Het is zonde van elke seconde.

13-12-11

HET BAL DER OPGEKNOOPTEN

HET BAL DER OPGEKNOOPTEN                      

 

De kalender van ellende verklapte andermaal:
het jaarlijks ledenbal der opgeknoopten
was alweer daar. Ze verschenen allemaal
van merg tot pijp doorrookt en uitgekookt.

Zak en as en vrouw zeulden ze met zich mee,
in stipte kleuren, nipte maten en formaten.
Hun plooien, vouwen strik en strak gedwee
brachten ze van acht tot twee in alle staten.

‘Wat gaan de jaren rap, de dagen korten weer,
het scheelt een vest, we doen ons best,
we bellen wel een keer, het zijn geen zomers meer,
mij zegt dat niets, wat eten we met kerst?’

Karel Passer en Marie-Joseph Vanongenae
knikten om de haverklap. Zo deden ook
de beide heren Sap en hun wijfjes stijfjes na.
Geen vinnig mens raakte hierdoor van de kook. 

Meneer Vanhees verzonk ten zeerste in de decolletés.
Blauwe ogen, diepzeegedachten gingen onderzees,
blikken werden torpedo’s. Mevrouw Vanhees
werd op al die blote V’s stilaan grondig boos.

Goed volk, small talk, wie was hier nu nog niet?
Toen kwam, nog ingepakt na datum van verval,
de oude apotheker Wackenier in het verschiet.
Die haalden ze als stichtend lid elk jaar van stal.

Men week een schree uit eerbied voor de tovenaar  
(die door geen vrouw gehinderd glaswaarts toog)
en knikte voor de vele jaren pillen, poeders dankbaar.
Een man van medicijnen liet je nooit lang droog.

‘Geachte leden, ik heb de eer en het genoegen.’
Halverwege klokke negen werd het woord weer vlees.
‘Ik dank hierbij allen die hun steentje bijdroegen
aan wat zonder hen niet mogelijk was geweest.’

Passer, Sap, Vanhees en Verroken knikten hevig.
Een zee van blanke V’s deinde zachtjes op-en-neer.
Het applaus daarna was welgemeend en stevig.
De voorzitter deed het nog maar eens een keer.

Verse glazen, koude schotels deden hun entree.
De ingewanden werden allereerst verwend.
De olie voor gekeuvel was appellation contrôlée,
iedereen werd van de weeromstuit eloquent.

Agnes Verroken gluurde naar haar opgeknoopte
en kapte dan pijlsnel glas twee haar keelkrocht in.
Meneer Verroken, die op een mooie avond hoopte,
bevond zich toen midden in een uitgesproken zin.

Pillendraaier Wackenier, knar van botten, kras van hart,
zeilde met bijsluiterblikken al de echtgenotes af.
Na de finale crème brûlée werd immers ras al opgestart
met wals en balts en tango in gestrekte draf.

Zalm en heilbot gingen vlot huns weegs,
wijl spek en bonen minder monden vonden.
‘Vis poes!’ grapte een van de Versteegs;
zijn tafeldame vergaf hem deze kuise zonde.

De vrouwtjes van de beide heren Sap
gingen ijverig hun ijsbergsla te lijf.
Hun huid en haartjes grauw en krap
stonden nu van welbevinden stijf.

De spits der broeders tapte toen een mop
die schuin en aangebrand de ronde deed.
Voedsel stokte stikkend in de krop;
het leek alsof men aan beroertes leed.

Marie-Joseph Van Ongenae deed aan de lijn.
Ze schikte zuinigjes haar smaakpalet,
maalde af en toe wat brokjes en radijsjes fijn
en pikte als een vogel op dieet gezet.

Daar had Karel Passer minder moeite mee.
Hij stouwde heelder borden prak in zijn benedenruim
en kapseisde hierbij gezwind een fles of twee.
Onder omnivoren was hij echt de crème van het kruim.

Nu de maag gevuld, de keel gelaafd was,
mocht het aan beweging niet ontbreken.
Strikken minder strak, beetje los die das.
Ook de gezichten waren minder uitgestreken.

Toch duurde het voorwaar een hele poos
voor het ledenbal een aanvang nam
en iemand eindelijk een partner koos.
Het was Vanhees die ’t eerst in opstand kwam.

Hij vergat hierbij helaas zijn wettelijke vrouw
en stapte stralend op Agnes Verroken toe.
Op het slagveld van de liefde en de trouw
was deze daad een regelrechte coup.

Stellen, koppels, gingen nu ook opveren,
maar door die zenuwpees van een Vanhees
zou men weldra bandeloos changeren.
Het bal der leden werd een vleselijke race.

Stijve harken plooiden onrustbarend.
Vege lijven kozen voor een rampenplan.
Harten klepten, longen piepten parend
in deze vleselijke kuip van Jan en alleman.

Schatbewaarder Six ging door de knieën
voor de prima ballerina Betty Audenaert.
Het leek après wel op een staaltje skiën
op twee brokkenlatten in vertraagde vaart.

De vrouw van voorzitter Andries Durnez
werd door het allerjongste lid gegrepen.
Gedeeltelijk ontknoopt dansten de twee
bevlekt met beekjes zweet als oorlogsstrepen.

Zwieren kneden tasten keren zwaaien
Zweten schuiven duwen klappen trekken
Wiegen springen huppen grijpen draaien
Zweven buigen spreiden stappen strekken

Het jaarlijks ledenbal der opgeknoopten
naderde met rasse schreden zijn ontknoping.
Succes en opkomst waren onverhoopt;
zo’n bal der leden smeekte om herhaling.

Verborgen in een hoek zat Pietje Beenderman.
De leden hadden hem niet meegerekend.
Hij keek toe en koos met zorg iemand
waarvan hij straks het hart in twee zou breken.

Toen stond hij schielijk op en wees
met kromme vinger wis en zeer beslist
naar de onfortuinlijke meneer Vanhees.
Die voelde in zijn borst meteen een flits.

Ontdaan en bleek week men uiteen
toen het slachtoffer te gronde zeeg.
Gekrijs, gegil, geklaag bij iedereen.
Alleen mevrouw Vanhees bleef achterwege.

Ze gunde Beenderman uit heel haar hart
ziel en lijf en leden van die eertijds was
haar bedgenoot, ridder voor driekwart,
rokkenjager, lanterfant, thans karkas met das.

Apotheker Wackenier knielde krakend neer,
maar vermocht geen leven meer te blazen
door de lege luchtpijp van de dode heer.
De ouwe knar zwol zelf als blauwe kaas.

In het halfduister van de zaal gezeten
verkneukelde zich Beenderman ten zeerste.
Hij had altijd al geweten dat de meeste
opgeknoopten eigenlijk zichzelf doodzweetten.

Allen die de dans ontsprongen waren,
keken nu ontzet naar hij daar in de hoek.
Die zei bedaard: ‘U hebt toch geen bezwaren
dat ik nieuwe leden werf voor het dodenboek?

Het is mijn taak te selecteren en te decimeren.
Anders is het overal een drukte vanjewelste.
Ik weet: het zit u geenszins in uw koude kleren,
maar het was met liefde dat ik hem omhelsde.

Is er anders nog een kandidaat vanavond?
De meesten onder u lijken toch al opgeknoopt.
Hebben jullie dan geen moeite met je adem?
Ik had wel nog op een tweede vege lijf gehoopt.’

Dat hoefde echt geen tweede keer gezegd.
Karel Passer en Marie-Joseph Vanongenae
vluchtten hals over de kop de zaal uit, regelrecht
gevolgd door de beide heren Sap hierna.

Hun beide wijfjes stemden gillend met ze in.
Met zijn oude knoken haalde apotheker Wackenier
ijlings nog Gerardus en Agnes Verroken in
en liep hierbij mevrouw Vanhees  van de sokken schier.

De Versteegs gingen vliegensvlug huns weegs.
Schatbewaarder Six snelde zonder centen heen
en Betty Audenaert ijlde lijkbleek als een feeks
naar verre oorden tot ze helemaal verdween.

De vrouw van voorzitter Andries Durnez,
werd, dodelijk verschrikt, door het jongste lid
in de vaart der vluchtenden weer opgepikt.
Alleen meneer Vanhees deed niet meer mee.

Moederziel alleen lag hij daar rustig ingeslapen,
verstard in zijn bestaan, ontdaan van alle leven.
Zijn hemd was in een lijkwade herschapen;
zijn das hing losjes halverwege zeven.

De kalender van ellende verklapte andermaal:
Pietje Beenderman had weer eens toegeslagen.
Dat gebeurde onverwacht en zonder veel omhaal
tijdens een der onverdachte feestelijke dagen.

Zo verkrijgen gaandeweg, voorwaar, de leden
van eender welke club op deze Moeder Aarde,
het onvoorwaardelijk statuut van overleden:
bitter jong, alreeds wat oud of hoogbejaarde.

Pietje Beenderman is als de zandman:
hij sluipt, gestrekte vinger op de lippen,
rond en kan zo hij dat wil de waakvlam
van je leven met een korte zucht uitknippen.

03-11-11

ROESELARE BLUES

 

 

vliegt de blauwvoet. storm in 't hoofd.

zwalpende matrassen op zee van zuchten.

wiegende meiden aan voeteneinden.

 

sluipt de blootvoet. schimmel tussen tenen.

door pare en onpare jongensdromen.

geritsel achter stille gordijnen.

 

peeping tom. sandalen: linkerhand.

klaas zo vaak. zak vol heilig zand.

in de ogen van de nachtwacht: staar.

jongens, hou je eigen kaarsje klaar.

 

want het is koud in dit siberië.

het hart gekooid in ribben.

roestend in dit roeselare.

het hoofd bezet door dromen

die het alle op wil sparen.

 

eilacie!

zo jong te sterven

op schootsafstand van arme klaren.                

25-09-11

DIXMUUDE


Ik heb god gezien.
Zo u wil: God.
Op een godspot.
In Diksmuide of all places.
Maar Hij woont in Roeselare.

Voor zijn pensionering
was hij magazijnier.
Nu neemt hij vaak de bus.
Zomaar.
Hij houdt namelijk van
(na enig aandringen gaf Hij dit toe)
wisselende en veranderende
landschappen.

Zijn doordeweekse werk,
weet u wel.

Nu rust Hij definitief.
Hij kijkt alleen nog toe.

Blij dat ik Hem even ontmoette.
Nou: mocht ontmoeten.

En het regende oude wijven.

04-08-11

EEN VERSTOLEN SIGARET IN DE TUIN


Het sneeuwt kanker over de kabouter.
Hoelang nog?
Gezondheid is ernst.

Nou, in alle ernst dan:
bladeren rollen, vuur aanmaken, inademen,
staan die niet in de grote bijsluiter van de mensheid?

Die verdomde paradoxen toch.
Hoe deden de indianen het?

Ik klop af op 58 jaar en gooi
de halfopgerookte boosdoener weg.

Het sneeuwt kanker over de kabouter.
Gezondheid schaadt mijn roken momenteel ernstig.

04-07-11

DE VUILE CINEMA

 

Op weg naar grootmoe

moesten we door iets gevaarlijkers

dan een bos passeren.

’t Visstraatje lag in de volksmond bestorven.
Daar hing niet alleen de geur van vis.
Er woonden ook wijven.

De blote zonde lichtte op in de vitrines.
Dat wil zeggen:
waarover men niet spreekt,
dat plakt men af.

We krégen nu eens licht in de duisternis!

Mama, waarom kunnen we de prijs niet lezen?
Gauw, vooruit, stap maar door.

Grootmoe had koekjes en chocomelk.
Op zondag soms konijn met bruin bier.
Het was een lange wandeling geweest.

27-05-11

OMFLOERSTE MAAN

 

 

Ga je vanavond weer langs ’t wegeltje?

 

De eerste mens was op de maan geland.

De muziekschool was gedaan.

We keken naar dat hemellichaam

en bliezen rook van Stuyvesant in haar gezicht.

 

Omfloerste maan.

 

Ik schudde als een filmster

mijn vijfde lucifer uit

in de maat van twee,

in het donker na de notenleer.

 

A giant step for mankind.

26-04-11

ROCK

Torhout lag op de wereldbol omdat Werchter er ook op lag of was het omgekeerd. De weide als een pleister, een knipoog van Moeder Aarde. Hoe oud was Torhout toen gemiddeld? De goden daalden van de maan en speelden met de Sparrenstedelingen en hun mede-aardbewoners. Bono woonde op het Hoge, maar Jimi Hendrix was al dood. Het is een harde noot: dat het er niet meer is.

03-04-11

S's

Het is wat het is. Jij hebt het lijf van een stewardess. De kortste afstand tussen twee punten is een zachte ronding. Ik droom van zo’n landing.

06-03-11

UITKERKE

Uitkerke

 

What’s in a name.
Met zicht op Zeebrugge,
een kraan van een haven!
Ook platte polder met hoeves
om kalveren te aaien
en aan wellness te doen.

Uitkerke:
een hotspot in het hinterland,
een hutspot van vroeger en nu.

07-02-11

KAATS

klap het valscherm van je laptop open vang de grimlach van de tanden op zie vooruit je bent je eigen schermbeveiliging

15-01-11

WIJNENDALE

Wijnendale

 

Waar men spa’tje zegt i.p.v. spa.

Tenzij de wielertoeristen op woensdagmiddag.

Gigakuipen Leffe Blond.

Moet kunnen, na kilometersporten en spurten.

De tijd op de kerktoren klopt niet meer.

Dus ijlings weg, naar Oostende:

nabijgelegen, noordelijker,

zee inbegrepen,

halve stad weliswaar.

Desalniettemin was Wijnendale rustiger.

Een oase die een kasteel verdient.

En een ijskelder waar de duivel woont,

in koerskostuum.

18-12-10

DE ROLLEN VAN DE DODE ZEE

DE ROLLEN VAN DE DODE ZEE

 

Mijn heiland heeft geen engelenhaar.

Zijn licht is staal dat blikkert.

Zijn pakpapier vertoont de oorlogskleuren

en zijn tuig houdt zich vertrekkensklaar.

 

Dit zijn de bikkelharde dagen

waar de weekheid volle kracht vooruit

weer toeslaat, eenmaal ’s jaars.

Uitkijken voor kindsheid is ’t geblazen.

 

Ik ruik die oude wind uit bange dagen;

ik loop me donker te verbijten.

Ik kwets me weer aan kerst,

dat verdomde licht, aan engelenhaar.

 

Over hoofden sneeuwt muziek in scherven.

Een tochthond draagt een blauwe strik.

Door de scheur onder zijn deur waait kleum

en uit zijn muil druipt oudjaarkwijl.

 

Ik ben mijn eigen leger des onheils

en strooi mezelf in straten rond,

zonder te kijken, zonder echt te haten,

op de stomme wijs van Rudolfs rode neus.

 

Wat is iedereen weer happy en gelovig.

Overal mag het een ietsje meer zijn.

De mensheid schuift langs kassa’s aan.

Middenstanders uit het wijze oosten

 

Reiken bekers glühwein aan en

een kerstman schatert onbedaarlijk

om de tragiek van hondenpoep.

Ik spoed me naar café Van Lieverlee.

 

Het licht gedempt in deze drenkplaats.

Een gatenplant onttrekt ons

aan des mensen zicht en inzicht.

Ik meer aan, veranker en verander

 

Zienderogen: stuifsneeuw in mijn hoofd.

Ha! Waarom geen blauwste strik gekocht,

morgen, overmorgen, voor een allerliefste

die slechts hier vanbinnen echt bestaat?

 

Ik zink; er groeit begrip. Mijn hoofd

zegt dingen waar ik in kan komen.

Bij iedereen ontdek ik goede wil;

ik stel mijn eigen ophanging nog even uit.

 

Want ik word mijn eigen kunstwerk,

praatpaal hier en nu, ik ben

verdomd bereid een kerstboom

in mijn pechstrook neer te planten.

 

Hef ik straks een lied aan, vloeiend?

Volg ik de parabool van ene ster, klaar?

Of kies ik voor een kogelbaan,

één unlucky strike, zo gebeurd.

 

Deze en vele andere gedachten

krijgen audiëntie in mijn hoofd

en in café Van Lieverlee, des avonds

voor het kerst wordt, wijl iedereen

 

Compleet kalkoen en cognac is.

Wat te doen? Carmiggelt is al dood,

en zuster Magnussen al jarenlang vermoord.

Wat er op zit, is nog maar een glas:

 

Behorend tot de orde van de scherven,

doorschijn, groot gelijk en medicijnen.

Van lieverlee kan ik nu zelfs

foie gras en susa nina derven.

 

De tocht naar huis is niet echt zwaar :

wind blaast mijn zeilen bol

en het dagend licht uit ‘t oosten

bakent in de schijn van etalages

 

Een brede pechstrook voor mij af.

De kassa’s zwijgen stil; de drollen

van de honden kan ik waardig als een mens

ontwijken. Ja, het was een stille nacht.

 

Van een boom kwam niks in huis,

maar ik had wat goede wil in pacht.

In café Van Lieverlee, deze oude haven,

vond ik de Rollen van de Dode Zee

 

Die gewaagden van onvrede, zwarte sneeuw

en goud en wierook op de helling zetten.

De nacht werd als de straat zo oud

en buiten was het bitter koud.

 

Nee, mijn heiland had geen engelenhaar.

Zijn licht was staal dat blikkerde.

Zijn pakpapier vertoonde oorlogskleuren

en zijn tuig hield zich vertrekkensklaar.

26-11-10

LAMPERNISSE

 

Ik wou naar Lampernisse.

Ongezien ter plekke afstappen.

Honderden jaren inademen.

Akkoord gaan met oudheid.

Me tegen de kerk aan schurken.

Niets drinken of eten want de horeca

was er allang gesneuveld

op de slagvelden van Levenslustig Vlaanderen.

 

Aldus geschiedde.

 

Even later stapte ik af

te Ieperen,

waar de Dood er weleer

een slachtveld van maakte.

Langer geleden was het te Lampernisse

echter ook goed raak.

 

Ik ben altijd ergens getuige van.

Geweest. 

03-11-10

HARRY

Mulisch is dood. Mulisch gaat in de boot. Weer een ijdeltuit minder in de literatuur.

22-10-10

SCHORE

Het paradigma van de polder:

Schore, Leke, Zande, Moere.

 

‘Een schorte groot.’

Zo zouden ze het hier zeggen.

Ik reed vierkant rond de kerk

en bevond me ras weer in de weidse lage streken.

 

Ja: ik had wel degelijk de feesttent gezien.

Er diende iets gevierd deze zomer in Schore,

in dat binnenverblijf van zeildoek.

 

Ik zette koers naar Leke, Zande, Moere.

Zachte vloekjes onderweg.

Binnenpretparkjes.

26-09-10

SCHOEN

Wat kan ik met je doen? Ik koop er twee. Ik loop ermee. Ik heb nu schoenen. Ik ga ze boenen. They rise and shine. They are mine. Ik stap ze in. Ik poets hun neus. ’t Is eerste keus. Ik rijg ze dicht. Een glad gezicht. Ze lopen kans dat ik met ze dans. Ik doe ze open. O, ik ga er nog twee stoute kopen.

15-08-10

TITELLOOS

Een dichter is een redder in een onbewaakte zone.

Er zijn woorden overboord.

Het doet er niet toe.

Een dichteres is een baadster in een nat bad.

Zij hoeft niet gered te worden.

 

27-07-10

ASTAIRE, ROGERS

     

De tram rolt weg.

De trein verdwijnt.

En toch nog even een tapdansje

op het scherp van het straftoestel tijd.

Een ijsbloem hangt ontnuchterd toe te kijken,

vastgevroren aan het venster.

 

Een bons en de boss komt eraan;

zijn havanna ademt een reëel gat

in de ogenschijn van eeuwigheid.

 

Ach, even kreuken met de deukhoed,

even rollen met de dollars,

en hop, tip top, tip tap, tap tap:

tap tap tap tap tap tap taptoe

 

Vacuüm verpakt

even stilhouden

op de eigen as.

 

Tussen twee duize-

lingen in even

balanceren

op hete kolen.

 

Didn’t they shoot us, Ginger?

No Freddy, we were saved by our shadows.

03-07-10

LUTETIA

LUTETIA (CIVITAS PARISIORUM)

De koele vriendelijkheid van de ober, kan ik mee om.
De duif die dwars door mijn hart scheert, kan ik mee om.
Een langzame dood door gebrek aan slaap, kan ik mee om.
Een immobiel bestaan bumper na bumper, kan ik mee om.
Een overdosis aan ingehouden theatraliteit, kan ik mee om.
Gewurm en gezweet onder de grond, kan ik mee om.
Het zoveelste gebedel om aandacht en brood, kan ik mee om.
Toeters en bellen in flarden van mist, kan ik mee om.
Ontbreken van stilte terwijl niemand iets zegt, kan ik mee om.
Haastparels hoesthoeken hangstaarders, kan ik mee om.
Geheel te onthouden dampen en wasems, kan ik mee om.
Duivelse spuwers en heilige hoeren, kan ik mee om.
Huiverkerken zweetspektakels gevangenisproza, kan ik mee om.
Smeekbedes om diepte in gulden snedes, kan ik mee om.
Portes de çi et marchés aux ça, kan ik mee om.
Pruisen en Zwitsers en Kelten en Goten, kan ik mee om.
Het dreunen van drilboren op zondagen, kan ik mee om.
De duikvlucht van grasgroene flessen, kan ik mee om.
Gejuich en gejoel uit reisbussen ontkurkt, kan ik mee om.
Schijtwitte daken bij vlagen van ouden van dagen, kan ik mee om.
Een snack en een beet om de volgende hoek, kan ik mee om. 

Als het maar Parijs is.

07-06-10

ZANDVOORDE

Zandvoorde bij Ieper.
Ik kwam alreeds van verder en van dieper.
Zandvoorde: uw broodautomaat.
Dat die daar staat!
Uw wegwijzers naar overal ergens anders.
Bovenal uw glooiende rust.
Zelfs het beschrijven van een omtrekkende beweging
heeft hier geen zin: er komt geen dooie kat.
Toch zie ik plotseling L’Oreal staan.
Een houvast, een geruststelling.
Ik kan weer heelhuids naar Heule, mijn thuis.

05-05-10

MANNEN

  

Mannen klimmen op bergen

en vrouwen. Dalend zijn ze

verslagen. Veroveren doen ze:

iets waar ze op kunnen, of in.

 

Geef ze de leegte en ze maken die

vol met verse leegte: kanon,

penis, booreiland, politiek.

Er schort niets aan berg en vrouw.

 

Mannen: momenten om op te schorten,

mammoets die aldoor sterven,

monumenten in verzekerde bewaring,

vergissing van god, ook al een onvrouw. 

 

Na ampele expertise treft men

een hart aan, dat pompstation

dat vet & alcohol & nicotine

probeert te vertalen in begrip.

 

Het blijft helaas bij hijgen.

Na beven en geven komt krijgen.

Mannen zijn krijgers, zwaaiend

met wapens bij vuren en vrouwen.

 

Tussen de lakens worden ze vloeibaar.

Een vulkaan kunnen ze niet aan.

Subtropisch, arctisch, pieken, dalen:

mannen kunnen Tibet niet aan.

08-04-10

ENCEPHALOGRAM

Het waait over Golgotha.

De wereld ligt in puin.

In de touwen hangt een pop,

zijn kroon staat ietwat schuin.

 

Anderen heeft hij gered, maar

eigen angst is zwart als inkt.

De honderdman wacht op een teken

dat tot nader inzien dwingt.

 

Dit versplinterd lichaam, haaks

op aarde, vertrekt van pijn

voor eeuwen. Stenen tikken luid:

voor wie zal de mantel zijn?

 

Smart priemt door de vrouwen heen.

Het wordt donker. De natte spons

wordt bij de kruik gegooid. Alleen

het wonder blijft genadeloos uit.

 

De vrouwen staan als zwarte vogels

aan de totem van Golgotha.

Zij bloeden. De regen kerft

en laat zijn rode striemen na.

 

Wonden tussen de benen.

Het hart dat aan zijn ketting rukt.

Ogen die glashard wenen

en de adem die in kelen stokt.

 

Alles is er voor het drama:

De wijn, soldaten, en de wijven.

De tijd gaat voor anker; de heuvel

zaait zijn kanker in hun lijven.

 

Azijn mengt zich met lood.

Op deze godverlaten beurse plek

wordt met klinkende munt betaald.

Beroepssoldaten drinken totterdood.

 

Zij ledigen vele bekers pijn.

Smart drupt uit infusen

regelrecht in ’t hart.

Het is vreselijk vrouw te zijn.

 

En moeder van een dode man.

Aan de totem van Golgotha

staat zij als een zwarte vogel:

trillend, bang en vleugellam.

 

De heuvel wordt met drie gedeeld.

Goed en kwaad zijn streng verdeeld

in rechts en links. Elke man

geeft nog wat tekenen van leven.

 

Maar niemand kan de armen kruisen.

Hij in ’t midden krult van pijn.

Hij is een vraagteken van vlees.

Dat moet dan een koning zijn.

 

Hij draagt de kroon

en wordt het meest gehoond.

Die van links heult zwakjes mee.

Rechts heeft al zijn spijt betoond.

 

Heuvel, hel en hemel.

Een staak, doornen en een duif.

Wat heet hier goed? Wat kwaad?

Straks is het te laat.

 

Alles smeekt, alles krimpt, alles breekt.

De dood riekt zuur. De wind smaakt

naar nat hout. Omstreeks het negende uur

geeft deze mensenzoon de geest.

 

De beste dobbelaar springt op.

De taken worden verder uitgedeeld.

De werktuigen om af te maken 

liggen in het slijk gereed.

 

Wat hebben die twee gedaan

dat hun de benen worden gebroken?

Wat heeft in ’s hemelsnaam hij daar misdaan

dat hem de zijde wordt doorstoken?

 

Zij naderen; de vogels deinzen.

Als lijden is ten top gedreven

doet het lichaam niet meer mee.

Steek die ene, breek die twee.

 

Daar staat een ladder in de leegte.

Daar gaapt een open graf.

Daar is een kruik verdwenen.

Het Romeins karwei is af.

 

Wie is verlaten, wie staat samen?

Tegen loden lucht stijgt stil een duif.

Niets gebeurt, niets verroert, niets beweegt.

Het waait over Golgotha, amen.

22-03-10

BALLADE

  

Zij hing in de Boom der Kennis te bungelen.

Een zucht van oostenwind streelde de stam,

maar niet de takken die haar kraak en net

gevangen hielden in hun röntgengreep.

Zij had opgehouden te bestaan.

 

De Boom stond er tegen Beter Weten in.

Hij wou die Mens helemaal niet schorsen.

Jaarringen, ja, maar geen strakke strik

om het vlees waar het lijf het dunst is

en de stamboom het bestaat op te houden.

 

Toen men ter plekke afstapte

(drie, vier beroepen uit de levende wereld)

en scherper toekeek, ook geholpen door instrumenten,

ontdekte men geen oorzaak.

 

Tot er eindelijk iemand naar omhoog keek:

de Boom had al zijn bladeren losgelaten.

Oostenwind, weet je wel.

26-02-10

ZANDMAN

 

Nu houd ik op met slapen.
In de straten lopen spoken
die in de ochtend kwijnen.
In de bars zitten schimmen
die bij dageraad vervagen.
Nu wil ik ook verdwijnen.
Ik wil even één van hen zijn,
met ze praten bij een sigaret
en af en toe wat bitters drinken.
Ik zal samen met ze waken:
tussen gatenplant, spoelwater
en greepjes licht verzinken
en aan al de rest verzaken.
Nooit wordt het nog later,
vertellen mij de spreuken,
en ook dat God mij ziet.
Dat wil ik best geloven,
maar morsen doe ik niet.
En dat de tijd hier halthoudt,
is de reden van mijn komst.
Het is mijn bed dat gaapt.
Het is mijn hoofd dat gonst.
Ik wil alle uren opgebruiken
van de zandloper in mij.
Mijn das staat op halfzes.
In mijn kop valt een flesje om.
Een vlinder zoekt het melkglas
en zit doodstil in het holst
van rook en grap en alcohol.
We moeten er eens uit zijn,
zegt een man van honderd kilogram.
Een meisje van een slanker lijn
lipt in mousserend Frans
dat de boog niet altijd nietwaar
zo gespannen hoeft te zijn.
Groot gelijk heeft zij, het kind.
Ik ga en vlag mijn nacht af
met een grote zak patat.
Waar brandt nog wat licht?
Waar schijnt nu de lamp?
Is dit reeds een nieuwe dag
of mag ik nog een laatste glas?
Het trottoir schuift als een roltrap
naar mijn huis bergop-bergaf.
Die wou waken, kwam terug.
Die ging dolen, is weer thuis.
Een molen vraagt om koren;
ik begin weer van tevoren.

07-02-10

WHIRLING WILMA

Het huisje in de stille Vredelaan is na visite
en wat friendly fire van peuter Wilma
in een slagveldje herschapen.
Er liggen bommen onder stoelen
en banken zijn zowat opgeblazen.
Die ene pop – ze kreeg alleen een schop –
ligt noodlijdend naar ’t plafond te staren.
Het nieuwste nummer van het tuintijdschrift
bloedt uit bijna al zijn blaren.
Zelfs het vasttapijt verloor wat haren.
Peuter Wilma liet op haar oorlogspad
ook wat DNA en identiteitsgegevens
op deuren en diverse vensters na.
Het kwijl dat van de tochthond druipt,
is ook niet echt het zijne.

Haar vrolijke tactiek van de verbrande aarde
is meedogenloos, verschroeiend, nietsontziend:
zij maakt van iedere vijand haar boezemvriend.

Voorwaar: peuter Wilma heeft het stille huisje
in de Vredelaan wel heel erg grondig aangedaan.

24-01-10

NO PRISONERS!

No prisoners, no press! Gevraagd: wie zijn je literaire voorbeelden? Gezegd: geen. Maar ik hou van teksten van Dylan Thomas, James Joyce, Pé Hawinkels en Thomas Pynchon. Hobby? De pers wandelen sturen.

03-01-10

ICHTEGEM

 

Ichtegem. Nooit gezien. Nu wel. En het moet me van het hart: waarom niet? Ik benaderde deze gemeente (dorp klinkt eigenlijk zoveel mooier, maar ja) vanuit oostelijke richting, komende van Zedelgem en Aartrijke. Zodoende passeerde ik noodgedwongen, via het horecagehucht De Engel, een zaak getiteld ROUWCENTRUM. Een beetje jammer voor een vrijdagavond, vond ik, zo’n hiernamaalse hint. Ik was nl. al wat feestelijk aan het zijn na het eten van ongeveer 50 mosselen. Was dat de reden waarom ik pakweg een halfuur later afstapte te Torhout-Kerkhof II, gelegen niet ver van het speelplein De Warande? Neen, Ichtegem-Rouwcentrum zat er voor niets tussen. Immers: mijn meeste doden (zegge en schrijve: de van mij verscheidenen) rusten te Torhout. Geert, Lilian, Francky, Roland, Rita, Bianca, Vincent, Ivan, Herman, Rik en vele anderen.

22-12-09

EASDAQ

 

Te Bredene (zijn naaktslakken, zijn duinen) ging ik eensklaps chinezen. In een opwelling. Chinezen kunnen toveren met vis en vlees. Tevens met soep. Voor pakweg € 17,50 (drank nt. inbegr.) kreeg ik ook telkens een monalisaglimlach. Het regende onverdroten. Het smaakte me geweldig. Vaak hebben opwellingen gelijk. Een end verderop zat iemand jarig te zijn, hoorde ik in een aanpalende taal (het Frans, met name). A la bonne heure. Ik deelde niet in de klappen. Dit jaar zou ik ook niet meer jarig zijn. Ik was al jarig geweest. Ja, voorwaar: ik voelde me op mijn gemak te Bredene, medio oogsttijd, gesteund door de Eas- en de Nasdaq.

10-12-09

GEHEIM

Een vrouw bewaart haar geheim zorgvuldig. Een man raakt het wel eens aan. Het hare. Het zijne.

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende